banner
 

Joseph Roth: abstracts / proceedings

 

Frank Caestecker

Vluchtelingen uit Nazi-Duitsland in België en Nederland, ongenodigd, maar welkom?

 

In deze bijdrage wordt de ontvangst in Nederland en België van Joseph Roth als conservatieve Oostenrijker, verblijvend in Duitsland en als katholieke Jood gekaderd binnen het immigratie- en vluchtelingenbeleid van beide landen.

Op comparatieve wijze wordt de ontvangst van politieke en Joodse  vluchtelingen uit Nazi-Duitsland in Nederland en België geanalyseerd waarbij uitgaan wordt van de gelijkenissen en verschillen tussen beide landen ter verklaring van het sterk verschillend beleid. Terwijl de Nederlandse overheid asiel weigerde aan extreem-linkse vluchtelingen, erkende België Duitse communisten als vluchtelingen. Terwijl België in 1933 joodse ondernemers in de regel aanmaande om elders asiel te verzoeken, konden deze zonder veel administratieve rompslomp hun bedrijf naar Nederland overplaatsen. Eind jaren dertig lagen de kaarten anders: de Nederlandse overheid stuurde joodse vluchtelingen terug naar Duitsland en de weinigen die mochten blijven werden als criminelen behandeld en in vluchtelingenkampen geïnterneerd, in België daarentegen genoten de joodse vluchtelingen massaal bescherming. De gelijkenissen en verschillen tussen beide landen in wijze van besluitvorming en in positie van de advocaten van vluchtelingen, maar ook in de natuurlijke karakteristieken van de grensregio en in intensiteit van banden tussen de vervolgden in nazi-Duitsland en de ingezetenen van beide landen worden aangegeven. Er wordt ook aangegeven in welke mate het lot van de vluchtelingen reeds gezegeld was in 1932. Het Belgische en Nederlandse vluchtelingenbeleid van de jaren dertig was immers ook een verderbouwen op het immigratiebeleid zoals het vorm had gekregen voor Hitler aan de macht kwam. Joseph Roth had reeds in 1927 met zijn essay Juden auf Wanderschaft aangegeven dat Europa in de ban was van het protectionisme en path dependency blijkt een niet onbelangrijke verklaring te zijn.

Hubert Roland

Eine Topographie der Exilliteratur in Belgien 1933-1945: das Scheitern einer Vernetzung?

 

Wegen des besonders transitorischen Charakters der Exilsituation für viele Künstler und Schriftsteller, die sich Belgien als Drehscheibe vorgestellt hatten, lässt sich eine strukturierte Topographie der Exilliteratur in diesem Lande kaum rekonstruieren. Neben vielen individuellen Situationen, von denen im Vortrag von Veit Schmidinger die Rede ist, stellt man aber Versuche einer gewissen Institutionalisierung fest. Während der niederländische Journalist Nico Rost das internationale kommunistische Netz vertritt, scheint sich allmählich ein „humanistisches“ Netz in den Jahren 1935-1936 zu organisieren: Gewerkschaften unterstützen die Neueröffnung des Friedensmuseums des pazifistischen Aktivisten Ernst Friedrich in Brüssel; im Juli 1936 findet im Palais d’Egmont eine Konferenz statt, um die Öffentlichkeit auf die Situation der politischen Gefangenen in Deutschland aufmerksam zu machen; sogar die „vorbildliche“ Figur der Exilliteratur im Ausland Heinrich Mann wird nach Brüssel eingeladen. In den nächsten Jahren wird aber die Situation der Exilanten immer prekärer, wie auch aus der quasi simultanen Gründung von konkurrierenden (kurzlebendigen) Zeitschriften hervorgeht. Eine andere Schwierigkeit besteht in der Vielfalt der widersprüchlichen Deutschlandbilder bei den belgischen Politikern und Intellektuellen, die die Stimme des „anderen Deutschland“ nicht deutlich unterscheiden, was eine mangelnde strukturelle Unterstützung der Exilanten zur Folge hatte.

Veit Schmidinger

Transit Belgien? – Deutsche und österreichische Künstler im Exil 1933 – 1945

 

Der Vortrag widmet sich deutschsprachigen Malern, Schauspielern und Schriftstellern, die sich auf ihrer Flucht vor den Nationalsozialisten zeitweilig in Belgien aufhielten. Dabei wird sich zunächst mit der Frage beschäftigt, wann und aus welchen Motiven die Künstler Belgien als Station auf ihrer Flucht wählten und in welchen Landesteilen bzw. Städten sie sich bevorzugt niederließen. Abgesehen von den Emigranten, die wie Irmgard Keun, Stefan Zweig oder Joseph Roth in Ostende einen Ort der Sommerfrische fanden, hatte Belgien als Exilland keineswegs nur provisorischen Charakter. Für Künstler wie Hans Mayer, Johannes Bendgens oder Zita Landy stellte Belgien vielmehr eine Möglichkeit zur längeren Zuflucht dar. Neben den Biographien der Emigranten sind auch ihre Arbeiten, die in Belgien entstanden sind, ein Schwerpunkt des Vortrages. Wie spiegelt sich Belgien und die Erfahrungen als Flüchtlinge im Werk deutschsprachiger Emigranten wider?

Hans Vandevoorde

Exilauteurs en de Belgische P.E.N.-Clubs

 

De internationale P.E.N.-Club, opgericht in 1921, was aanvankelijk een banketgezelschap van eerder conservatieve weldenkende schrijvers. ‘No politics’, zo luidde het adagium van een van de founding fathers, de Britse auteur John Galsworthy. Door de gebeurtenissen in Duitsland 1933 kwam dit principe van neutraliteit onder grote druk te staan en moest ook de P.E.N. kleur bekennen. Een van de cruciale momenten in deze wending was het P.E.N.-congres in Dubrovnic van datzelfde jaar, toen een ‘gleichgeschaltete’ Duitse P.E.N.-Club alle trucjes uit de kast haalde om de wereld te doen geloven dat er onder Hitler niet zoveel aan de hand was. Uit de geschiedschrijving van de P.E.N. is bekend dat op dat congres ook de Belgische delegatie een rol van betekenis speelde door een scherpe motie tegen de Duitsers in te dienen. Maar om welke Belgische delegatie ging het, want de Belgische P.E.N., sinds 1930 gesplitst, was vertegenwoordigd door zijn Vlaamse en Waalse vleugel? En werd die motie goedgekeurd? Waarom was er protest van de Nederlandse delegatie? Aan de hand van de verslagen van de Belgische P.E.N.-leden, van briefwisseling uit het P.E.N.-archief en andere archieven, en van berichten in de pers wordt een vergeten kapittel uit het Belgische intellectuele engagement belicht.

Het congres van 1933 zal richtinggevend blijken te zijn voor de houding van de P.E.N. ten opzichte van emigranten uit Duitsland en Oostenrijk. Hier komt ook Joseph Roth in beeld, al werd hij pas na de ‘Anschluss’ echt een Exilauteur. Vraag is of zijn relatie tot de P.E.N. een rol speelt in zijn erkenning en bekendheid als Exilauteur – onder meer in België – en wat zijn houding überhaupt was ten opzichte van de internationale en Duitse P.E.N.

Els Andringa

Eine Sprache alttestamentarischer Pracht. Joseph Roth als jüdischer Autor in der niederländischen Rezeption.


Seit der frühesten Rezeption in den Niederlanden wurde Joseph Roth als Autor jüdischer Herkunft erkannt. In den Rezeptionsdokumenten tauchen ab und zu in impliziten oder expliziten Vergleichen auch Hinweise auf eine niederländisch-jüdische Literatur auf. Diese Beobachtungen dienen als Ausgangspunkt für die Fragen, in wiefern sich das niederländische literarische Polysystem in der Rezeption von Roth spiegelt, wie die niederländisch- und deutsch- jüdische Literatur darin profiliert wurde und welche Position sie einnahm. Die Befunde geben Anlaß zu einigen kritischen Bemerkungen zur niederländischen Literaturgeschichtsschreibung.

Heinz Lunzer

Roths Kontakte in Flandern und den Niederlanden in den Interviews von David Bronsen.

 

David Bronsen, der erste Biograph Roths, veröffentlichte 1974 ein Buch von 700 Seiten. Damit schloß er eine Arbeit ab, die ihn rund fünfzehn Jahre in Bann gehalten hatte. Sein Ziel war, möglichst viel über den 1939 gestorbenen Schriftsteller zu erfahren und ein genaues Bild seines Lebens zu zeichnen. Da Roth relativ jung gestorben war, fand Bronsen eine große Zahl von Zeitzeugen, die sich erinnerten; etwa 150 Personen gaben Bronsen Auskunft darüber, wie sie Roth erlebt hatten. Eine faszinierende Menge von Gesprächen, die Bronsen niederschrieb und für seine Arbeit verwendete – ein Reichtum an Wissen, Beschreibungen, Gefühlen mit allen Widersprüchen, wie sie Menschen entwickeln, ohne den wir von Roth viel weniger wissen würden.

Bronsen konnte nur Teile der Aussagen seiner Gesprächspartner in seiner Monografie unterbringen – als Zitat oder als Zusammenfassung. Viele Eindrücke mußten aus Platzgründen oder aufgrund der verständlichen Absicht des Verfassers, ein kohärentes Bild zu zeichnen, wegbleiben. Manche trugen zu Gesamteindrücken bei, ohne Nachweis der Quellen.

Am Beispiel einiger Personen aus den Niederlanden und Belgien, mit denen David Bronsen „Interviews“ machte, möchte ich darstellen, welche ungehobenen Schätze der Nachlaß des Wissenschaftlers enthält – und damit Anregung und Einladung aussprechen, den Nachlaß zu nutzen und sich zu neuen Fragestellungen anregen zu lassen.

Madeleine Rietra

Joseph Roth als Autor, Übersetzer und Korrektor im Verlag Allert de Lange.

 

Ende Januar 1933 verläßt der österreichische Schriftsteller und Journalist Joseph Roth, der als heftiger Gegner der Nationalsozialisten bekannt ist, das Deutsche Reich für immer und lebt ab dann hauptsächlich in Paris, von allen Publikationsmöglichkeiten in Deutschland abgeschnitten.

Die meisten deutschsprachigen Autoren, die in Exil gegangen waren, betrachteten Hitler als ein vorübergehendes Phänomen und wollten es mit ihren Verlegern, zu denen sie in der Regel eine langjährige und freundschaftliche Beziehung hatten, nicht verderben.

Im Gegensatz hierzu hatte Roth die politische Situation Europas von Anfang an hellsichtig erkannt und die Konsequenzen daraus gezogen.

Mitte Mai 1933 trat ein, was Roth befürchtet hatte. Sein Werk wurde verboten und bei den Bücherverbrennungen durch die Nazis verbrannt. Nach Hitlers Machtübernahme wurde die Existenzgrundlage seines Berliner Verlages Gustav Kiepenheuer eingeschränkt. Das jüdische Personal wie die Autoren, von denen die meisten Jude und oder Sozialist waren, mußten sich nach anderen Möglichkeiten umsehen.

Roth hatte das Glück, daß die wichtigsten Mitarbeiter von Gustav Kiepenheuer, der Mitdirektor Fritz Landshoff, sein Lektor Hermann Kesten und der Prokurist Walter Landauer eine neue Beschäftigung in den Niederlanden fanden.

Hier war, mit dem Anliegen, der unerwünschten deutschen Literatur ein literarisches Asyl zu sein, im Amsterdamer Verlagshaus Allert de Lange eine deutsche Abteilung gegründet worden und hatte Emanuel Querido seinem niederländischen Verlag den deutschen Querido Verlag angegliedert. In Amsterdam kam Hermann Kesten als literarischer Leiter und Walter Landauer als Geschäftsführer bei der deutschen Abteilung von Allert de Lange unter. Fritz Landshoff wurde Direktor und Mitinhaber des deutschen Querido Verlags. Joseph Roth, der seinen deutschen Verleger verloren und vergeblich versucht hatte, seine Rechte dem österreichischen Zsolnay Verlag zu verkaufen, wurde Autor von Allert de Lange und Querido in Amsterdam und des kleinen katholischen Verlags De Gemeenschap in Bilthoven.

Andreas Landshoff

Solange es noch einen Menschen gibt, der deutsch liest, werde ich weiter verlegen”. Fritz H. Landshoff, der Querido-Verlag und die deutsche Exil-Literatur.

 

Mit diesem mutigen Entschluss begann im Herbst 1933 der 32jährige Fritz H. Landshoff in Amsterdam seine Tätigkeit als Verleger deutschsprachiger Exil-Literatur im holländischen Querido-Verlag.

Als Verleger und Mitinhaber des Gustav Kiepenheuer Verlages hatte Fritz Landshoff in den zwanziger Jahren in Berlin progressive und oft gesellschaftskritische Bücher meist jüdischer und linksorientierter Autoren publiziert, was er nach dem Reichstagsbrand in Amsterdam fortsetzte. Querido und die Exil-Abteilung des ebenfalls in Amsterdam ansässigen Allert de Lange-Verlages wurden die beiden bedeutendsten der zahlreichen Emigrationsverlage. Zu den wichtigsten Autoren zählten Joseph Roth, Heinrich und Klaus Mann, Ernst Toller, Valerie Marcu, Arnold Zweig, Anna Seghers, Lion Feuchtwanger, Alfred Döblin, Emil Ludwig, Bert Brecht, Jakob Wassermann und Bruno und Leonhard Frank.

Der Vortrag ist dem Nachgedächtnis an diese Verleger in den schwierigen Jahren 1933 bis 1940 gewidmet.

Ton Naaijkens

De Nederlandse Roth. Over de relatie vertaalgeschiedenis en receptiegeschiedenis

 

Naar Joseph Roth ging in Nederland de meeste aandacht uit toen hij zich zo nu en dan in ons taalgebied bevond (van 1934 tot 1939) en toen hij stierf (1939). Een opleving van de persaandacht is te zien vanaf midden jaren zeventig, versterkt vanaf eind jaren tachtig. Vanaf midden jaren negentig is de aandacht stabiel en substantieel te noemen.

De verschillende vormen van aandacht zijn te categoriseren en te verklaren. Die van de jaren dertig heeft vooral met contemporaniteit te maken en met de fysieke aanwezigheid van een buitenlands auteur in een tijdperk dat emigratie een maatschappelijk gegeven was. Het is wrang om te zien dat de Nederlandse aandacht de facto samenvalt met de jaren waarin de auteur niet meer op het toppunt van zijn kunnen is. De opleving rond 1979 heeft te maken met een groep bijzondere lezers die in de oplevende aandacht voor exil-schrijvers de als speciaal ervaren band met Nederland bevestigen en publiek maken in boeken, lezingen en manifestaties. Vanaf eind jaren tachtig levert een tweetal wetenschappers in het Nederlandse taalgebied een cruciale bijdrage aan de Roth-Forschung door brievenedities te bezorgen. Vanaf eind jaren negentig brengt een vooraanstaande uitgever het verzameld werk van Roth in vertaling in serieuze edities uit. De publieke aandacht die aan Roth gegeven is, wordt gegenereerd door vier groepen actoren: a. contemporaine critici, b. betrokken, geprivilegieerde lezers, c. (editie-)wetenschappers en d. uitgevers. Het is nader uit te zoeken, maar de publieke ijnen van de receptiegeschiedenis zullen waarschijnlijk zo lopen, hetgeen vermoedelijk zowel kwalitatief als kwantitatief zal worden bevestigd.

Achter de publieke aandacht gaat de activiteit schuil die je in algemene zin bemiddeling kunt noemen en waartoe ook het vertalen behoort. Die lijn is anders en minder eenduidig, althans tot eind jaren negentig. Je zou van onderliggende receptie kunnen spreken, die – ook in het geval van Roth – gepaard gaat met orkestratie en netwerken. Vergelijk je de Nederlandstalige vertaalhistorische lijn met de vertaalinitiatieven in het Engelse en Franse taalgebied, dan lijkt hij nog grilliger te zijn. In de lezing zal aan de hand van de Nederlandse Roth-receptie vooral nagegaan worden hoe receptie- en vertaalgeschiedenis zich tot elkaar verhouden. Tot de snijvlakken van receptiegeschiedenis en vertaalgeschiedenis behoort de kwestie dat er een overlap is tussen de actoren die voor het uitgeven van boeken verantwoordelijk zijn, de actoren die op de uitgegeven boeken wijzen en ze zegenen, en de actoren die verantwoordelijk zijn voor de concrete tekst en paratekst van de publicaties.

Els Snick

Joseph Roth in vertaling na 1945: van De Arbeiderspers tot Atlas.

 

In 1934 bracht uitgeverij Servire in Den Haag Tarabas op de markt, de eerste Nederlandse vertaling van een roman van Joseph Roth. Roth was toen al beroemd door successen als Hiob en Radetzkymars. Dit jaar verschijnt bij uitgeverij Atlas de tiende druk van Radetzkymars, meteen ook het tiende deel in de prachtige Roth-reeks die Atlas sinds 2001 uitgeeft.

De afgelopen vijfenzeventig jaar bleef het werk van Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen nagenoeg constant in de aandacht, zij het voor langere periodes slechts in beperkte kring. Roth heeft in elke periode zijn pleitbezorgers gekend: uitgevers, vertalers, critici, maar vooral gepassioneerde lezers, die zijn werk met dehun beschikbare middelen onder de aandacht van het publiek probeerden tebrengen. Hun inzet heeft ertoe geleid dat in totaal zeventien verschillende Roth-titels, in tweeëndertig verschillende uitgaven, door veertien uitgevers op de markt werden gebracht. Met wisselend succes.

In deze lezing wordt de rol van de uitgeverijen voor de naoorlogse receptieperiodebelicht. Vragen die aan bod komen zijn: wie waren de uitgevers en wat waren hun drijfveren?Waarom kozen ze voor een bepaald werk en op welke manier werd het uitgegeven? Welke (hiërarchische) plaats namen ze in binnen het culturele bestel van hun tijd? Van welke (sociale, politieke,economische…) netwerken maakten ze deel uit? En vooral: wat hebben ze met hun publicaties bereikt en welke rol hebben ze gespeeld in het canoniseringsproces van Joseph Roth in Vlaanderen en Nederland?

 

Léon Hanssen

De doelloosheid der vaderlandslozen: Gerth Schreiner en Mies Blomsma op zoek naar Joseph Roth. Over de wording van een beroemd portret.

 

In de huidige promotiecampagne voor het werk van en over Joseph Roth, maakt uitgeverij Kiepenheuer & Witsch gebruik van een portret van de schrijver door de Nederlandse kunstenares Mies Blomsma (1905-1940). De tekening, gedateerd ‘Parijs Nov. ’38’ is door Roth zelf voorzien van het onderschrift: ‘Das bin ich wirklich; böse, besoffen, aber gescheit.’ Het zijn wellicht de drie kardinale deugden van de banneling aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Over de achtergrond van deze tekening vertelt de geschiedenis niets, ook niet over het krantenartikel waarvoor zij destijds als illustratie diende. Het is het verslag van een zoektocht naar en een ontmoeting met Roth in Parijs, geschreven door Blomsma’s echtgenoot, de Duitse migrant Gerth Schreiner (1892-1940).

In mijn lezing wil ik het onderzoek naar het Duits-Oostenrijkse exil in Nederland tegen het licht houden, gerelateerd aan de wonderlijk veronachtzaamde betekenis van Schreiner. Vervolgens zal ik de biografische context schetsen van Blomsma’s tekening en Schreiners tekst. Tenslotte wil ik de these ontvouwen dat Schreiner in zijn tekst een adequate literaire vorm heeft gevonden voor een literair verslag van het delirische levenseinde van Joseph Roth.

 

Geert van Istendael

Over Joseph Roth

 

Mijn vader gaf me Hölderlin te lezen toen het nog veel te vroeg was, ik was zeventien en kende nauwelijks Duits. Achteraf bleek dat hij me Hölderlin precies op tijd had opgedrongen. Zijn zoon was nog jong en verward genoeg zodat het mysterie van de gedichten hem kon verzengen.

 

Een jaar of twee later stopte hij me achteloos een dun pocketboekje toe. Ik weet niet meer of het van rororo was of Ullstein of Fischer, doet er weinig toe, het was een voddige ding en op de kaft stond een zwart-wit foto van een man die naar de rechterrand van het boekje keek. Hiob. Roman eines einfachen Mannes. Joseph Roth. Mijn vader was natuurlijk helemaal niet joods en misschien nog minder rood. Hij las in het Duits bij voorkeur auteurs als Stefan Andres en de vroege Heinrich Böll, auteurs die je min of meer bij de katholieken kon indelen. En natuurlijk de eeuwige Rilke. En die ene roman van Joseph Roth. Hij bewonderde Roth zeer, maar heeft me toch nooit over ander werk gesproken. Toen ik meer dan dertig jaar later zijn boekenkast moest opruimen heb ik ook geen andere titels gevonden.

 

Tot de rest van Roths werk ben ik gekomen door iets eigenaardigs. Ik las dat hij in de landstreek Wolhynië geboren was en wel in Schwabendorf. Dat laatste blijkt een van zijn vele mystificaties te zijn geweest. Ik wilde weten hoe een dorp met zo’n Duitse naam in een gebied terecht kwam met een allesbehalve Duitse naam. Ik ga niet in op details, maar door her en der iets op te zoeken was mijn belangstelling voor de Dubbelmonarchie gewekt en die is nooit meer weggegaan. En dus kwam ik uit bij de Kapuzinergruft. En daarna bij Radetzkymarsch. En zo naar al het andere werk.

 

Een anekdote. Een paar jaar geleden zei mijn dochter dat ze een schitterend boek had gelezen. Ze gaf me een Engelse pocketeditie van, jawel, Radetzkymarsch. Mijn dochter kent heel goed Duits. Ja, ze vond wel dat het wat vreemd was, een Amerikaan die zo goed over Oostenrijk kon schrijven. Enfin, ze heeft nu mijn Duitse pockets van Roth gekregen, ik had intussen al het verzameld werk op de plank staan. Niet al mijn pockets. Een onooglijk boekje van het Reclam-Verlag uit Leipzig, een DDR-uitgave, heb ik gehouden. Het bevat journalistiek werk van Roth. Het bevindt  zich naar mijn smaak tussen zijn grootste boeken en zijn mindere. Ik vind dat Roth ook enkele zwakke romans en verhalen heeft geschreven. Maar in de journalistiek staan die reportages, zoals die van Egon Erwin Kisch, zonder twijfel aan de top.

 

Moet je Roth in het Nederlands vertalen?

 

Wel, in de eerste plaats wil ik zeggen dat iedere beschaafde Belg de drie nationale talen zou moeten beheersen: Nederlands, Frans, Duits. Dus, dat die vertalingen overbodig zouden moeten zijn. In de tweede plaats: zo beschaafd zijn wij, Belgen, helaas niet. Ergo: om te voorkomen dat potentiële lezers van Roth zoiets belachelijks meemaken als mijn dochter, heb je die vertalingen nodig. Ik ben niet weinig trots dat uitgeverij Atlas die zware taak op zich heeft genomen.

 

Die taak is zwaar, omdat ik me nauwelijks kan voorstellen dat de uitgave van Roths werk veel winst oplevert. Anderzijds is het zo dat die werken nu eenmaal beschikbaar moeten zijn. Bovendien wil Atlas de belangstelling voor de literatuur die te maken heeft met de Dubbelmonarchie opwekken. Ook bv. Gregor von Rezzori is vertaald en Heimito von Doderer. Ik ben natuurlijk geen uitgever, maar je kunt je dergelijke edities permitteren, door wat men noemt het systeem van de interne subsidie. dat gaat zo: je maakt winst op een aantal goed tot waanzinnig goed verkopende boeken. Met een deel, ik zeg wel een deel van die winst kun je dan boeken brengen waarvan je al vooraf weet dat ze niet zo schitterende zullen verkopen. Roth bijvoorbeeld, al kom je ook bij dergelijke boeken vaak voor blijde verrassingen te staan. Hetzelfde geldt trouwens voor dichtbundels. De uitgever neemt in alle ernst de taak op zich om via literatuur de herinnering aan de twintigste en bij uitbreiding de negentiende eeuw levendig te houden. Het belang van die taak is onschatbaar in een tijd waarin kreten als there is no alternative of wie nee zegt tegen Europa is een idioot niet - die laatste algemeen na de referenda over de grondwet - van de lucht zijn. Het is niet dat de uitgever valse nostalgie wil opwekken. Daar zijn we niets mee. Het is veeleer zo dat hij andere stemmen wil laten horen, stemmen die ons vertellen van mogelijkheden en beloftes en wijze regelingen die door de geschiedenis vernietigd werden. Zeker wij, wij die wonen in dit miniatuurstaatje, kunnen daarmee ons profijt doen. En het allerbelangrijkste is, altijd opnieuw, dat ons taalgebied een reeks boeken, die naar mijn smaak bij het beste horen wat de twintigste eeuw heeft voortgebracht, niet uit de herinnering verdwijnen.

 

 

 

De organisatoren van het colloquium plannen begin 2010 de publicatie van de colloquiumbijdragen.