Literaire teksten roepen culturele werelden op die alleen bestaan binnen de eigen grenzen, maar die tegelijk ook refereren aan culturele contexten daarbuiten. In die dubbelheid speelt taal een cruciale rol. Om zijn talig universum gestalte te geven is een auteur immers aangewezen op woorden en betekenissen waarvan de gemeenschap zich bedient. Dan rijst de vraag naar de mogelijke band tussen taal en ‘identiteit’ van een taalgemeenschap en naar het concept zelf van ‘culturele identiteit’ en ‘identiteitsconstructie’. Wie ‘culturele identiteit’ ook nog wil overbrengen naar een andere taal en culturele context, wordt met een nog grotere complexiteit geconfronteerd.
Een aantal aspecten van die complexiteit wordt tijdens het colloquium aan de orde gesteld, onder meer: hoe identiteitsconstructie werkt, hoe literaire vertalers met culturele identiteit omgaan en hoe literaire vertalingen bijdragen tot de perceptie van culturele identiteit buiten de oorspronkelijke taalgemeenschap. Tijdens het colloquium worden met andere woorden de complexe concepten ‘constructie van culturele identiteit’, ‘literatuur’ en ‘literair vertalen’ in hun onderlinge wisselwerking onderzocht.
Tijdens het colloquium wordt de invalshoek gaandeweg specifieker door in te zoomen op het werk van Erwin Mortier, in het bijzonder op de roman Marcel, waarmee de auteur in 1999 debuteerde en waarvan op korte tijd onder andere een Duitse, Engelse en Franse vertaling zijn verschenen. Marcel is bovendien een roman, gesitueerd in een bij uitstek ‘Vlaamse’, meer bepaald ‘Vlaams-nationalistische’ context. Doordat Mortier daarin ‘identiteitsconstructie’ en de draagwijdte daarvan voor individuen, generaties en deelculturen een bijzondere plaats geeft, is Marcel, in verschillende talen vertaald, een uitgelezen voedingsbron voor studie en discussie over de vragen die in dit colloquium aan de orde zijn.
Samen met zijn vertalers in het Duits, Engels en Frans fungeert Mortier tijdens het afsluitende rondetafelgesprek bovendien zelf als centrale gast van het colloquium.
De studiedag omvat twee delen. In de loop van de ochtend komt het ruimere kader aan bod door middel van vier referaten. L. Beheydt (UCL en Dutch Studies U Leiden) gaat in op de relatie tussen culturele identiteit en taal in de Nederlanden; M. Reynebeau (historicus, criticus en journalist van De Standaard) bespreekt aspecten van ‘Vlaamse’ identiteitsconstructie en R. Meylaerts (KUL en CETRA) analyseert de rol van literaire vertalingen bij de beeldvorming van culturele identiteit voor/door een anderstalig publiek. Essayist en criticus C. Offermans bespreekt het werk van Mortier en legt met zijn bijdrage de link met het tweede deel van het programma.
Na de middag geven vertegenwoordigers van de onderzoekslijn ‘Cultuur en vertaling’ van de organiserende instelling (Hogeschool Gent) de aanzet voor het rondetafelgesprek over culturele identiteit en literair vertalen met Marcel als belangrijkste invalshoek. Naast de auteur zelf nemen zijn vertalers in het Duits, (Waltraud Hüsmert en Ira Wilhelm), het Engels (Ina Rilke) en het Frans (Marie Hooghe) deel aan dat rondetafelgesprek.
De aarde heeft kamers genoeg. Met deze slotzin uit Marcel als uitgangspunt, spreekt auteur en centrale gast Erwin Mortier het slotwoord uit.